Geld met huisje

Is de hypotheekrente wel betaald?

De Hoge Raad heeft ‘kosten van geldleningen’ in artikel 3.120, eerste lid, Wet IB 2001 gedefinieerd als kosten van geldleningen welke rechtstreeks aan het opnemen, verlengen of aflossen van een geldlening zijn verbonden. Deze kosten zijn, onder voorwaarden, aftrekbaar. Het belangrijkste voorbeeld is de hypotheekrente.

Hypotheekrente wordt, als aftrekbare uitgaven, volgens artikel 3.147, in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald of verrekend, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.

Omdat het om aftrekbare uitgaven gaat, dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat die uitgaven ook zijn gedaan. Het Gerechtshof (op 7 juli 2017 door de Hoge Raad bevestigd) oordeelde recent dat belanghebbende niet kon aantonen dat zij de rente ook echt had betaald.

De casus

Belanghebbende heeft een woning gekocht en daarvoor een geldlening, via de BV van haar belastingadviseur, gekregen. Deze BV had die lening weer aan de belastingadviseur zelf overgedragen. Belanghebbende moest de rente daardoor direct aan haar belastingadviseur betalen. De belastingadviseur heeft verklaard dat hij die rente graag contant wilde ontvangen.

De belastinginspecteur wilde daar graag bewijs van zien. Behalve de verklaring dat de belastingadviseur zich niet kon herinneren dat zijn klant ooit de rente niet contant had betaald, was er niets.

Er ontbraken dus betalingsbewijzen, de geldleningsovereenkomst en bewijzen van (bank)opname van het geld in contanten. Het is voor de Inspecteur onduidelijk hoe belanghebbende de rente, gezien haar inkomen en vermogen, kon betalen.

 

De uitspraak[1]

Het Hof concludeert dat er geen of onvolledige betalingsbewijzen zijn, dat niet duidelijk is hoe belanghebbende uit haar inkomen de rente had kunnen betalen en dat er verschillende tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk kunnen maken dat zij hypotheekrente heeft betaald en is er ook niets aftrekbaar.

Aandachtspunten

Aftrekbare uitgaven moet belanghebbende aannemelijk maken. Binnen het belastingrecht geldt hier de zogenoemde ‘vrije bewijsleer’. Naast documenten (als betalingsbewijzen, kwitanties, e.d.) kan dat ook op andere manieren. Bijvoorbeeld met getuigenverklaringen en/of video-opnames.

In deze casus was dit een rommeltje en veel te vaag en tegenstrijdig. Daarom ging het helemaal mis.

  • Zorg (bij je klant) dus voor een nette administratie van een leningsovereenkomst (met datum en handtekening). Leg mondelinge overeenkomsten schriftelijk vast. Dat kan heel goed met een zinsnede dat partijen een mondelinge overeenkomst uit (bijvoorbeeld 2011) alsnog schriftelijk vast willen leggen. Onderteken dan ook met de datum van de schriftelijke vastlegging. Dus niet met die van 2011.
  • Zorg voor betalingsbewijzen. Ook als de ontvangende partij alleen contanten wil hebben. Dat kan prima met een kwitantie. Dit geldt zowel voor rentebetalingen als voor (gedeeltelijke) aflossingen
  • Realiseer je dat een rechter alles bij elkaar weegt. In deze casus was er ook nog een probleem over de beschikbare middelen van belanghebbende. Die waren onvoldoende voor de rentebetalingen. Een late verklaring dat zij geld van haar moeder geschonken had gekregen was ook weer veel te vaag (en te laat).
  • De problematiek van de bewijslast speelt niet alleen bij de hypotheekrente, maar ook bij (contante) uitgaven voor onderhoud van monumentenwoningen, aftrekbare giften en buitengewone uitgaven (als studiekosten en ziektekosten).

 

[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 september 2016, Zaaknummer 1501378. Bevestigd door de Hoge Raad op 7 juli 2017, Hoge Raad , Zaaknummer 16/04896, ECLI:NL:HR:2017:1250.